Toneel / Dans / Performance

Mal - Embriaguez Divina Marlene Monteiro Freitas

Een duivelse poppenkast

In haar nieuwe werk ‘Mal - Embriaguez Divina’ of ‘Kwaad – Goddelijke Dronkenschap’ roept de Kaapverdische choreografe Marlene Monteiro Freitas een samenleving op die de trappers verloren heeft: alle burgerlijke waarde van werk, vlijt en spaarzaamheid gaan de schop op. Een groteske duivelin neemt het over. Het resultaat: een spectaculaire vertoning, met verbluffend sterke vertolkers. Toch blijft echte gekte uit: ‘Mal’ is vooral een parodie op het burgerdom en zijn kwalen. 

Mal - Embriaguez Divina
Pieter T’Jonck Schouwburg Kortrijk, in het kader van het Next-festival meer info
06 februari 2022

Aan drie zijden van het podium is een net opgespannen van de vloer tot  zo’n twee meter hoogte. Een grote groep mensen spelen volleybal achter die netten. Toch zijn het geen volleybalnetten, eerder hekkens rond een plein. Op dat plein staat, iets of wat rechts van het midden, een steile tribune, als een miniparlement of een tribune in een rechtszaal. Door de getraliede ronde gaten in de achterwand zou je het ook voor een gevangenis kunnen houden.

De sfeer slaat heel onverwacht om als een zeer rijzige man zich in een plots invallend vaal schemer midden links posteert met een machinegeweer. Alles in zijn houding verraadt de militair, al spreekt zijn kleding dat tegen: een korte, donkerblauwe fluwelige kamerjas met daaronder een erg vrouwelijk aandoende witte legging met een blauw streepje kort boven de enkels.

Als op hol geslagen mechaniekjes

Nagenoeg tegelijk dringen andere figuren van achter het net het podium op. Ze bewegen zich koortsig snel voort, maar met mechanische precisie, volgens rechte lijnen en hoeken, als op hol geslagen mechaniekjes. Geen twee doen dat op dezelfde manier. Een Aziatische vrouw voert een eigen versie van de moonwalk uit, een man stapt met nijdige rukjes van de knieën. Acht performers, zes mannen en twee vrouwen, razen zo over het podium. Rook walmt op uit een teil met kunstijs.

Oorverdovende knallen roepen daarbij oproer of gevechten op. Een witte vlag in karton of malle papieren kepies lijken dat te bevestigen. Maar de gekte die de spelers bevangt spreekt dat tegelijk ook tegen. Drie dansers storten ze zich bijvoorbeeld in een bezeten, hoekige lijndans. Voor je dat goed en wel gezien hebt, verspringt de actie echter alweer naar een andere plek en groep. Je lijkt te kijken naar een verstoord mierennest, met mieren die in alle richtingen verdwaasd rondrazen.

De overdonderend luide score maakt het nog moeilijker om alles te blijven volgen. Obsessieve drums en tribaal gezang, een dialoog tussen een ophitsende voorzanger en een extatisch, rauw koor nemen helemaal bezit van je hoofd. Ze versterken het gevoel dat je naar mensen kijkt die buiten zichzelf zijn. Die de duivel in hun lijf hebben.

Die duivel is ondertussen ook opgedoken. Op één of ander moment moet een figuur met een -alweer papieren- kroont op het hoofd verschenen zijn op de bovenste rang van de tribune. Deze zwarte vrouw staat, voorlopig toch, buiten de actie. Ze kijkt alleen maar toe. Tenminste: ze doet alsof, want door het papieren brilletje voor haar ogen kan ze niets zien. Het is een fopkoningin, een nepleider die blind vaart. Of is het een duivel?

Het is een fopkoningin, een nepleider die blind vaart. Of is het een duivel?

Na ettelijke, steeds uitzinniger scènes, valt de actie stil. De spelers vallen terug op hun eerste, mechanische bewegingsmodus, maar nu strammer en stijver. Ze lijken nu eerder ledenpoppen of marionetten. Al heel snel sluipt daar bij sommigen iets militairs in: strak uitgestoken armen en benen, houterige passen, de blik op oneindig. Anderen wekken met hun afgepaste tred en afgemeten gebaren dan weer de indruk dat ze zich willen voordien als mensen van gewicht.

Zo wordt de cast een 19e-eeuwse poppenkast van ‘gestelde lichamen’. Als ze zich verzamelen op de tribune, rond de ‘koningin’ op de bovenste rij, doen ze denken aan een marionettenregering na een staatsgreep: een simulatie van statelijke orde die de razernij die eraan vooraf ging moet doen vergeten. Maar het is een orde van papier, een klucht, een aanfluiting. De razernij is niet weg, ze heeft zich alleen vermomd als orde.

Ze zijn nog maar gezeten of de ene na de andere haalt bijvoorbeeld papieren gebouwtje vanuit de lade onder hun lessenaar. De ene zoekt het in hoge torens, de andere in paleizen, en zo ontstaat een potemkinstad: een schijn van orde. Als om dat te bevestigen plooien verschillende acteurs ook een mooie strik, of een bef als van een rechter. Dat er toch iets niet pluis is blijkt al als één gesteld lichaam papieren vliegertjes begint af te vuren. Ze landen in het net dat geregeld neerdaalt voor de tribune. (Wat dat net daar verder nog deed werd me echter nooit duidelijk).

Mariana Tembe twerkt razendsnel, met haar achterwerk naar het publiek

Wie er nog aan zou twijfelen dat deze orde voos en bedrieglijk is, wordt uit zijn waan geholpen in één van de volgende scènes -de belangrijkste van het hele stuk. De koningin hijst zich plots katachtig snel bovenop haar lessenaar. Meteen merk je dat er iets mis is met haar, maar het duurt even voor je beseft dat haar beide benen geamputeerd zijn. Dat belet Mariana Tembe -zo heet de vrouw- niet om bovenop haar lessenaar razendsnel te twerken, met haar achterwerk naar het publiek.

Haar baldadige, uitdagende energie haalt de moeizaam opgebouwde orde in één klap onderuit. De papieren stad gaat tegen de grond. Op de achtergrond klinkt ondertussen de ouverture van ‘Jesus Christ Superstar’, de succesmusical van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice uit 1970 -die nu stilaan klinkt als de tune van een gedateerde TV-serie. Het zet de dubieuze, zelfs blasfemische aard van deze vertoning extra in de verf.

Vanaf dan raakt de voorstelling het spoor echter wat bijster. De briljant mimerende cast brengt nog een spervuur aan hilarische en absurde scènes, daar niet van. Het tafereel waarin ze smelten van bewondering voor Piotr Tsjaikovski’s ‘Zwanenmeer’ is zo een meer dan sarcastische parodie op de beate burgerlijke bewondering voor kunst. Het past helemaal bij de poppenkast die we al de hele tijd zien.

Alleen voegen al die volgende scènes daar niet zoveel meer aan toe. De tegenstelling tussen schone schijn en onderliggend geweld of waanzin wordt niet verder uitgewerkt en verdwijnt zelfs uit beeld. Het stuk eindigt zelfs enigszins vreemd: er daalt een zekere lethargie neer over de personages. Op de elegische muziek van ‘Pavane pour une Infante Défunte’ van Maurice Ravel zakken ze neer op hun tribune. De razernij is voorbij. Wat blijft zijn de resten papier waarmee de vloer bezaaid is. Papier was dan ook het formele leitmotiv van dit stuk.

In die lang uitgesponnen finale ging ik me steeds meer afvragen hoe relevant deze parodie van het burgerdom nog is voor de wereld vandaag.Zagen we hier een ‘Mal - Embriaguez Divina’, een ‘Kwaad’, een ‘goddelijke dronkenschap’ die valse waarden omverwerpt? In de eerste helft van het stuk zeker wel, dankzij de bezetenheid van de performers. Maar de niet zo goddelijke kater duurde wat lang. 

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Abonneren Login