Ik dacht dat jij HET GEVOLG
Eclatant irritant
Daders die het hoge woord krijgen, leveren haast per definitie spannend drama op. Slinks gebruiken ze hun krediet van protagonist om zowel onze sympathie als onze correctheid uit te dagen. In ‘Ik dacht dat jij” van Stefan Perceval en HETGEVOLG komt daar ook nog de grondeloze blik van Stefaan Degand bij. Op zijn best kijkt hij alsof hij bij het kozen van een katje ook elk moment haar nek kan breken. Steeds dieper kruipt alle mentale en fysieke huiselijke geweld uit de gelijknamige roman van Joke van Leeuwen onder je vel.
Is ‘Ik dacht dat jij’ een monoloog of een dialoog? Dat daar geen eenduidig antwoord op te geven valt, zegt eigenlijk al alles over het onderwerp. “Iemand moet de kapitein zijn”, stipuleert Degand van achter zijn schrale keukentafeltje, recht de zaal in. Aan de overkant van zijn tafel staat nog een tweede stoel, maar die blijft nagenoeg leeg. Melissa, Degands tegenspeelster die in de credits zonder achternaam blijft en geïdentificeerd wordt als een van de vele ‘Hartenspelers’ van HETGEVOLG, houdt zich tot ver in de voorstelling verborgen achter een brede glazen wand. Daarop veegt ze in tegenlicht en met blote handen gedurig blauwe en rode verf tot een abstract schilderij. Er gaat van haar stilzwijgende zwembewegingen een grote expressieve emotie uit, vertaald in een kleurenzee die blijft golven en veranderen.
Wat we zien, is geen dialoog. Eerder een eenstemmig duet.
Zo zien we de scheve verhoudingen in de liefdesrelatie die hier wordt geschetst meteen weerspiegeld op het podium. Stefaan Degands personage voert het hoge woord, bepaalt het perspectief van waaruit we de huiskamer binnenkijken. Melissa van haar kant speelt de tweede viool als zijn partner Zigi – al is ‘sidekick’ een juister woord. Slechts bij uitzondering klinkt ook haar stem even tussen Degands alleenspraak op, als een schichtig straaltje zon door een donker wolkendek. “Vanmorgen hebben we gelachen, ja. Maar ik weet niet meer waarom.” Zelfs als Melissa/Zigi tegen het einde wel even in de schijnwerpers mag, is dat louter om te figureren in zijn verhaal. Wat we hier zien, is dus in elk geval geen dialoog. Eerder een eenstemmig duet.
Koele vulkaan
Degand draagt die eenstemmigheid vanop zijn keukenstoel met grote vanzelfsprekendheid. Hij speelt niet zozeer, hij doet zijn zinnen: koel, uitgemeten, gelijkmatig – bijna als een wijkagent die een proces-verbaal leest. Tegelijk voelt zijn heldere spreken toch als een vorm van spuwen, maar dan meesterlijk ingehouden. Wat doet het deugd om Degand eens niet in een komische operette te zien opdraven, waar hij vaak de grommelende karikatuur van zichzelf wordt. Hier krijgen zijn bonkigheid, zijn duistere blik, zijn tegelijk onvervaarde en verongelijkte spreken de kracht van een stille vulkaan. Nooit barst hij uit. Toch dreigt dat geweld voortdurend.
Dat onverstoorbare spel past perfect bij de etter die hij mag vertolken: een kunstschilder die daar zelf heel graag het woord ‘scheppend’ voor zet, terwijl zijn Zigi als violiste slechts ‘uitvoerend’ heet. Zijn vrijheid is duidelijk zijn hoogste goed, al voelt die zich direct bedreigd als anderen ze niet willen dienen. “Als ik ergens een hekel aan heb, zijn het vrouwen die denken mij te moeten opvoeden.” Als Zigi niet meteen uit haar bad komt om ‘nu’ zijn nieuwe schilderij te komen bewonderen, denkt ze alleen maar aan zichzelf. Als ze vergeet zijn twee wijnflessen per dag in de koelkast te leggen, ziet ze hem niet meer graag. Als ze opmerkt dat hij niet zo moet foeteren op fietsers, zet hij haar prompt uit de auto. En als ze durft te uiten dat ze bij hem steeds op eieren moet lopen, kletst hij er prompt twee tegen de keukenvloer. Zwijgen moet ze.
Zowat elke mannelijke trek waar je als vrouw van wegloopt, heeft deze vent in de uitverkoop.
Zeurderig, zelfzuchtig, lichtgeraakt, jaloers, non-communicatief, dominant, achterdochtig, opvliegend, agressief: zowat elke mannelijke trek waar je als vrouw van wegloopt, heeft deze vent in de uitverkoop. Toch blijft Zigi bij hem – zelfs tot bloedens toe. “Ze zegt dat ze toch van me houdt.” Alleen al van die toch schiet hij uit zijn krammen. Langzaam krijg je zo ook zicht op zijn tere kant: de verlatingsangst van een klein kind. Hij kan ook lief zijn en voor Zigi presentjes kopen, maar o wee als ze dan niet reageert zoals hij het zich had voorgesteld.
Bijna impressionistisch, zonder grote uithalen, openbaart zich zo de gevoelige complexiteit van een huis clos waarin een strelende hand maar één vingerknip verschilt van een vuist – een maatschappelijke realiteit van intrafamiliaal geweld waarvan de cijfers in Vlaanderen in 2024 al een kwart hoger lagen dan in 2020, met gemiddeld 184 meldingen per dag. Degand slaagt erin om minstens een heel klein beetje begrip op te wekken voor het diep gekwetste zelfbeeld dat zich in zijn etter verschuilt. Eclatant irritant is zijn vertolking.
Rauwe verfstrepen
Dat hele psychologische portret vond regisseur Stefan Perceval bij Joke van Leeuwen, in haar roman ‘Ik dacht dat jij’ uit 2023 met een al even observerende stijl. Marit Stocker bewerkte het boek getrouw, zij het met iets minder poëzie en gefocust op vooral de huiselijke taferelen. Qua verhaal en portrettering is er weinig verschil tussen roman en voorstelling.
Gevoelsmatig voegt HETGEVOLG wel een extra laag toe. Zo legt live-gitarist Kris Auwers meermaals een pregnante dreigende score onder Degands spel. Het geweld dat je niet te zien krijgt op het podium, barst wel af en toe vulkanisch open uit zijn gitaar. Het is een opvallend spaarzamer gebruik van muzikale tapisserie dan in veel andere Perceval-voorstellingen, maar daarom net dubbel zo effectief. Ook de rauwe verfstrepen op het glazen doek van Melissa voegen extra pigment toe. Wat zich bij Van Leeuwen tussen de zinnen verborgen houdt, perst zich hier naar buiten als zintuiglijke, zelfs materiële emotie. Haar hanige verfletters ‘TIME-OUT’ vatten haar hele gemoed in één uithaal.
‘Ik dacht dat jij’ komt binnen als een traag inwerkende voltreffer.
‘Ik dacht dat jij’ komt binnen als een traag inwerkende voltreffer, die herinneringen oproept aan Percevals gevierde monoloog ‘U bent mijn moeder’ met Sien Eggers. Die impact wordt nog gevoeliger als je weet dat Melissa zelf slachtoffer is van huiselijk geweld, en dat elke passage van Degands personage over diens dochter Lotta voor hem als speler ook wel een lading zal hebben die de fictie overstijgt. Voor ons in de zaal voelt deze indringende voorstelling niet minder heilzaam.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz