La Fête Anne-Cécile Vandalem & Joëlle Sambi /Théâtre National Wallonie-Bruxelles & KVS Brussel
Opgeruimd, staat niet zo netjes
De theatermaker Anne-Cécile Vandalem was sterk aangedaan door de dood van Sanda Dia, de student die bij een doop het leven liet. Ze volgde het proces in de rechtbank en wilde over de zaak een voorstelling maken. Het ging haar niet om de sensationele details, maar om de dieperliggende motieven die de zaak aan het licht brachten. Ze wilde bij de feiten blijven, en ensceneert daartoe in 'La Fête' een fictieve samenkomst van de familie van het slachtoffer en de familie van de dader. Het levert haar zo de nodige afstand op om conflicten op een theatrale manier te behandelen.
‘La Fête’ handelt over schuld, verantwoordelijkheid, racisme en klassenstrijd. Geen aanklacht is het, wel een zoektocht naar wederzijds begrip. Het resultaat levert een voorstelling op die doordesemd is met wantrouwen. Vinden de protagonisten elkaar, of blijft er een afgrond bestaan? Vandalem stelt basisvragen over racisme, over vergeving, zo scherp dat de toeschouwer ongemakkelijk de zaal verlaat. Even belangrijk als het standpunt van Vandalem is de vraag wat het uiteindelijke standpunt van elke toeschouwer is.
We horen het verhaal over Sanda Dia en de fatale doop.
De voorstelling begint met een leeg plateau. Na een muzikale introductie aan de piano (Alex Tambu), stappen de spelers één voor één de scène op. Ze stellen zichzelf voor – met biografisch materiaal, zoals dat ook bij Milo Rau gebeurt. Maar Vandalem zal dat later op een heel eigen wijze in de voorstelling verweven. De spelers hebben een beetje verrassend een rode mantel aan zoals boksers die dragen. Ze gaan op de grond liggen, in de houding van de vernedering. Het is een soort rituele opening van de voorstelling.
Dan komen er een paar rekwisieten op het toneel, en wordt de achterwand ingenomen door een groot scherm. Twee cameramensen zetten zich klaar om een interview op te nemen dat deel van een documentaire moet worden. Twee mensen aan tafel worden ondervraagd. De vragen worden gesteld door Anne-Cécile Vandalem zelf.
We horen het verhaal over Sanda Dia en de fatale doop, die zich in Vorselaar afspeelde. De namen van de echte personen heeft Vandalem veranderd. De familie van één van de daders krijgt de naam Van Wezenbeek. De familie van het slachtoffer heet in de voorstelling De Vresse. Sanda Dia, de student die in 2018 de dood vond tijdens een doopritueel, krijgt de naam Tidjane. Deze ingreep laat de schrijfsters Anne-Cécile Vandalem en Joëlle Sambi toe een afstand tot de feiten te creëren.
Tussen feit en fictie
De hele voorstelling zal op die fascinerende dubbelheid rusten. Feiten zullen naast fictie staan, maar ook de spelers blijven dubbel, want ze zijn én vertolkers én zichzelf. Het wordt een fascinerend onderdeel van de tekst. Veel draait om de vraag: wie is aan het woord? Waar is de meeste waarheid te horen?
Tijdens het interview worden feiten over de tragische doop verteld. Een belangrijke beslissing ligt in de handen van de familie De Vresse. Willen ze aan de film van Anne-Cécile meewerken? Hun antwoord is positief, want ze hebben na het proces nog een aantal vragen die ze aan de familie Van Wesenbeek willen stellen. Ze zijn er onder andere van overtuigd dat hun zoon slachtoffer van racisme was binnen een groep van geprivilegieerde blanke jongeren uit Antwerpen. Ze willen ook de bekentenis afdwingen dat het bij Tidjane om een moord en niet om een ongeluk ging.
Na een feest, ruim je toch ook alles op, hoor je de vader zeggen.
De confrontatie (die dus in het echte leven nooit heeft plaatsgevonden) vormt de hoofdmoot van de voorstelling. Vader Moussa De Vresse (François Ebouele) zit vol opgekropte boosheid. Al wil hij waardig overkomen, hij kan niet beletten dat hij enkele keren in woede ontsteekt. Dat er racistische motieven bij de medestudenten hebben gespeeld, staat voor hem als een paal boven water. Maar ook het gerechtelijk apparaat getuigt van racistische vooroordelen: na de moord op zijn zoon hebben de Vlaamse families de kans gekregen om alles uit te wissen. De sporen zijn volledig verdwenen (Na een feest, ruim je toch ook alles op, hoor je de vader zeggen). Een reconstructie vond het gerecht niet nodig. Dat zit de familie hoog. Dat de pijn in de familie nog diep zit, bewijst de afwezigheid van de moeder op deze samenkomst.
De vader wordt vergezeld door zijn zoon Malik (Habib Ben Tanfous). Hij is strijdbaar en wil de familie Van Wesenbeek op hun verantwoordelijkheid wijzen. Hij zal uiteindelijk de spanningen tussen beide families tot het uiterste drijven.
De cameravoering is bijzonder precies. Op het grote scherm zien we voornamelijk gezichten die reageren op wat er gezegd wordt. Zo heeft François Ebouele als Moussa weinig tekst, maar zijn blik in de camera straalt een innerlijke strijd uit tussen woede, afschuw en wantrouwen. Hij heeft een ongelooflijke aanwezigheid zoals hij - met het hoofd wat schuin - naar het gebeuren rond zich kijkt. Zijn zoon Malik kijkt eerder met agressie toe – en dat lees je ook hoofdzakelijk in zijn blik.
Tegenover hen staat vader Lucien Van Wesenbeek (Oscar Van Rompay), één en al zelfgenoegzaamheid. Hij heeft als ondernemer een bedrijf in Afrika, wat moet bewijzen dat er van racisme bij hem geen sprake is. Hij is rad van tong zowel in het Nederlands als in het Frans, en een en al charme. Maar de schrijfsters Vandalem en Sambi laten deze patriarch (zo noemt hij zichzelf) zijn macht verliezen, op het ogenblik dat hij zijn voet bezeerd en al mankend over het toneel stapt.
Op zeker ogenblik wordt de dialoog erg persoonlijk. Nu is Malik niet aan het woord, maar de acteur Habib Ben Tanfous. Hij brengt een feit uit de biografie van medeacteur Van Rompay ter sprake. Hij heeft het over de controverse rond de blackface in Van Rompays solo ‘Afrika’. Hier staat dan plots niet het personage ter discussie, maar wel de persoon. Het gaat dan niet over de vraag of vader Van Wesenbeek racistisch is, maar wel wat de houding is bij de mensen op het toneel. De wereld doet brutaal zijn intrede.
Het wantrouwen en het ongemak waarmee elk personage af te rekenen heeft, zorgt voor een sfeer van ingehouden spanning.
De moeder Sophie (Anne Pascale Clairembourg) is een overtuigde burgervrouw, die haar zoon verdedigt. Ze blijft halsstarrig bij de thesis van het ongeluk. De gesprekken brengen haar helemaal uit haar evenwicht (ze moet overvloedig braken – wat misschien niet de beste theatrale keuze is).
Blijft over: zoon Van Wesenbeek (Arne de Tremerie). Hij is de echte tragische figuur. Hij stond ook in een put tijdens de doop, maar was zo slim om vals te spelen. Daarom heeft hij het atavistisch ritueel (met visjes en visolie) overleefd. Maar hij kijkt stilzwijgend toe – met een gefolterde blik (die we ook op het scherm in close-up zien). We horen dat hij later zelfmoord heeft willen plegen. De camera toont ons een jonge man met de allure van een gepijnigd personage uit de wereld van Dostojewski.
Ook filmmaakster Anne-Cécile Vandalem zelf komt in opspraak. Zijn de motieven om over de zaak een film te maken wel zuiver op de graat? Het wantrouwen en het ongemak waarmee elk personage af te rekenen heeft, zorgt voor een sfeer van ingehouden spanning. Van een constructieve dialoog komt er weinig in huis. Is er een oplossing?
Geen antwoorden, wel vaststellingen
Dat voert ons naar de laatste scène. Zoon Habib komt in actie en onderwerpt vader en zoon Van Wezenbeek aan een re-enactment van de fatale scène met objecten uit de kamer. Het levert een theatraal sterk, zelfs schokkend moment op. De twee blanke mannen moeten het studentenlied ‘Io Vivat’ zingen, beveelt Habib. Dat heeft een onverwacht psychologisch effect. Beide mannen (oud en jong) worden door een agressieve roes bevangen – ze zingen steeds wilder, en de camera toont twee gezichten vol haat. Het sociale experiment is volledig mislukt. We eindigen bij twee groepen die niet bij elkaar kunnen komen. Er is geen vergeving, geen verzoening, geen dialoog. Het wantrouwen over de positieve gevoelens blijkt gerechtvaardigd. Het is een wrang laatste akkoord, vol pessimisme.
En Tidjane zelf? Die is heel de tijd aanwezig – als een stem uit het dodenrijk. De tekst wordt door schrijfster Joëlle Sambi voice-off gezegd. Het is een soort Grieks koor dat op elk moment commentaar geeft. De zin ‘Ik ben hier’ komt vaak terug. Het voegt nog een poëtische laag aan het gebeuren toe. Deze voorstelling reikt geen oplossing aan, maar wil alleen een constatering zijn.
De voorstelling is virtuoos in vorm en intelligent in inhoud.
Als toeschouwer verlaat je met vele vragen de zaal. Bij Vandalem moet je goed opletten, want handelingen kunnen steeds herhaald worden. De laatste actie is daarvoor tekenend. In het stuk maakt men zich terecht druk over het gedrag van de Vlaamse ouders, die na het drama alles hebben opgeruimd om hun studenten te beschermen. Maar nu in de voorstelling stopt de actie. Iedereen (spelers en toneelmeesters) begint alles op te ruimen. We blijven met een propere, lege ruimte over. Het verhaal, het drama is verdwenen. Het is theater dat zich vastbijt in de werkelijkheid.
De voorstelling is virtuoos in vorm en intelligent in inhoud. Het gebruik van de camera is uiterst functioneel. De tekst, waarbij voortdurend van standpunt wordt gewisseld, dwingt bewondering af. Dit is documentair theater van de beste soort. Het acteren is van een hoog niveau. In de rolverdeling bevinden zich twee Vlaamse acteurs – Arne De Tremerie en Oscar van Rompay. Hun beheersing van het Frans is voorbeeldig. Maar Vandalem heeft ook passages in het Nederlands voorzien. Dat zorgt voor een ontegensprekelijke Belgische toets.
‘La Fête’ is een feest van ongemak dat belangrijke sociale thema’s aansnijdt. Anne-Cécile Vandalem, en met haar Joëlle Sambi, hebben een pijnlijk verhaal uit de recente geschiedenis omgewerkt tot een bredere reflectie over racisme, standenverschil, waarheid, eerlijkheid en hypocrisie. Het gaat over meer dan België of Vlaanderen. Dit wrange feest is één van de theatrale gebeurtenissen van het jaar.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz