Moed(er) Cie Tartaren
Embryo’s van mystiek
Het thema moederschap is niet weg te slaan van het podium. Toch weet de Genkse poot van sociaal-artistiek gezelschap Cie Tartaren er in ‘Moed(er)’ nog extra lagen van bloot te leggen. Nagenoeg zonder tekst, met de cirkel als basisvorm, trekken regisseur Ine Ubben en twaalf spelers voluit de kaart van de abstractie. Hun trage uitgepuurde beelden, sterk geïnspireerd door de biologie van kinderen baren, wekken her en der tranen in het publiek.
Participatieve voorstellingen hebben met elkaar gemeen dat ze graag vertrekken van de ervaringen van de niet-professionele spelers waarmee ze werken. Maar hoe die persoonlijke ervaringen vervolgens vertaald worden naar de scène, kan hemel en aarde verschillen – en met de jaren steeds meer. Het cliché dat sociaal-artistiek theater neerkomt op onbemiddeld getuigenistoneel van mensen met een kwetsbaar bestaan, gaat tegenwoordig eigenlijk veel meer op voor solo’s van professionals.
‘Moed(er)’ is een mooi voorbeeld van die brede spanwijdte tussen de persoonlijke input van spelers en hoe die uiteindelijk vorm krijgt op het podium. Tussen conceptie en creatie loopt er wel één lange navelstreng: het specifieke objectentheater van regisseur Ine Ubben. Opgeleid in de klinische psychologie, met daarna theaterstudies in Tilburg en Praag, specialiseerde ze zich in het gebruik van voorwerpen als sociale én artistieke methodiek.
Zwijgende sprekende tableaus, levende dode materie, simpele complexe handelingen: daar maken de Tartaren deze voorstelling mee.
Al vroeg in het repetitieproces trok ze bijvoorbeeld met haar performers naar het bos, om hen daar te vragen in welke aanwezige natuurelementen ze hun eigen moeder herkenden – een zwierige tak, een stuk klimop, een geknotte boomstam? Dingen dienen bij Ubben om verhalen los te maken, terwijl ze tegelijk opgeladen worden met gevoel – als batterijen voor de eigenlijke creatie.
Op het podium daarentegen blijven die reële verhalen in de koffer, maar voel je wel nog alle gevoel achter de schaarse objecten waarmee ‘Moed(er)’ de speelvloer inpalmt: een groot en semi-transparant plastic zeil als voor schilderwerken, enkele doorzichtige ballonnen en uiteindelijk ook een berg dode bladeren en takjes van bomen.
Op zichzelf vertellen deze hulpstukken weinig. Maar zodra de lichamen op het podium er zich toe gaan verhouden en ermee beginnen te sculpteren, baren ze open beelden en symbolen waar iedereen zijn eigen verhaal op kan projecteren. Zwijgende sprekende tableaus, levende dode materie, simpele complexe handelingen: daar maken de Tartaren deze voorstelling mee.
Iedereen moeder
Veelzeggend is hoe de voorstelling begint, nog buiten de zaal. Eén speelster nadert traag het wachtende publiek met in haar hand het grote zeil als een sliert slepend achter zich aan. Wanneer ze stilhoudt, pakt ze dat uiteinde zo teder en omzichtig op haar arm dat je er ineens niets anders dan een baby in kan zien.
Wanneer ze die vermenselijkte tip van het zeil zorgzaam doorgeeft aan de toeschouwster naast haar en met beide armen zelf het volgende deel van het zeil oppakt, trekt zich een verbindende transformatie op gang die voelt als de geboorte van theater zelf: een losse tros mensen die vervelt tot een verbonden gemeenschap, door samen iets anders te zien dan wat er is. Door dat geloof samen te dragen.
Van hand tot hand gaat het hele zeil in gewijde stilte het publiek rond, als een trage slang van medemenselijkheid die ons spontaan tot een cirkel dwingt. Iedereen hoeder, iedereen moeder. It takes a village to raise a child? Nooit eerder zag ik die gedachte zo kernachtig verbeeld. Niet voor niets noemt Ubben zich een ‘activist van het kleine en kwetsbare’, met focus op ‘de dramaturgie van de verwelkoming’.
In de zaal wacht ons dezelfde cirkel: een lege ronde speelvloer met daarrond één kring met houten bankjes voor zo’n vijftig kijkers, waar ook de twaalf spelers tussen blijken te zitten. Het is bijna meer de setting van een ritueel dan van een voorstelling. De afstand tot het speelvlak is minimaal, de mogelijke betrokkenheid maximaal.
In onze rug is ons samenzijn afgezoomd door een kring van 24 losse houten panelen die onze kijkervaring herbergen en naar het midden richten. Heel duidelijk heeft ontwerper Erich Lucas zich mee ingeschreven in Ubbens voorkeur voor strakke eenvoud met grote aandacht voor details. Aan de juiste voorwaarden voor onze ontmoeting met de spelers is evenveel zorg besteed als aan wat zij dan brengen.
Circle of life
Een klein uur lang volgen losse beeldende scènes elkaar op, met het zeil als terugkerende drager. Eén vrouw kruipt eronder met een zaklamp, als in een baarmoeder die net zo goed een isoleercel zou kunnen zijn. Als ze het zeil bijeenschraapt tot een bol en plots van zich afstoot, heeft dat evenveel van een geboorte als van een miskraam.
Een andere vrouw plooit zich rond die knisperende vrucht als rond een diep verlangen, om dan op onderzoek uit te gaan tussen vier doorzichtige ballonnen die haar vanuit de kring zijn toegerold: eentje met rode verf, een andere met blaadjes, nog een andere met wat water in. In het schijnsel van haar zaklamp wordt de schaduw ervan vanzelf een vrucht. Allemaal zijn deze ballonnen zwanger van specifieke verhalen van bepaalde deelnemers, maar als gedepersonaliseerde beelden laten ze alle ruimte voor ieders eigen invulling. Bij meerdere vrouwen in het publiek levert dat natte ogen op.
Natuurmetaforen herinneren eraan hoe elk moederschap uiteindelijk een prisma is van Moeder Aarde zelf.
Dat zegt alles over de bijzondere kracht die uitgaat van de combinatie in ‘Moed(er)’ tussen visuele abstractie en de heel tastbare biologische kijk op moederschap. Niet alleen eicellen, ook de placenta en de draagrest worden uitgebeeld. Dat leren ons de korte woorden waarmee de spelers elke scène inleiden, telkens herhaald in alle talen die de groep rijk is – van Italiaans tot Arabisch. Ze geven niet alleen duiding, maar ook structuur aan hun ritueel.
Plat wordt het nooit, dankzij de metaforiek van het bos waarmee het moederschap steeds weer wordt verbonden. Wuivende mensenbomen, het gefladder van één speler als een luide vogel, de karrenvracht dode bladeren op het eind: ze schrijven elke (mis)geboorte bij in de grotere ‘circle of life’. Ze herinneren eraan hoe elk moederschap uiteindelijk een prisma is van Moeder Aarde zelf. Ze geven het menselijke bestaan terug aan het grote natuurlijke leven – wat tegelijk zowel heiligend als relativerend werkt.
Nieuwe adem
Maar vooral de simpele stilering van ‘Moed(er)’ voelt als winst binnen de brede vormenwaaier van de participatieve kunsten – een bijzondere kwaliteit die ook al afstraalde van ‘Tiro-Tora’, de vorige creatie van de Genkse Tartaren. Die visuele abstrahering dient niet alleen de universele inzet van deze voorstelling, ze veegt ook elk vermeend verschil tussen kijkers en spelers uit – zonder dat de voorstelling ergens inboet aan persoonlijkheid.
Wat soms wel verloren gaat, is de spanning onder het uitgelengde ritme waarmee elke scène wordt opgebouwd. Meteen dreigt ook de magie te breken. De performers worden dan zelf objecten, die je als kinderen regieaanwijzingen ziet uitvoeren.
Die momenten herinneren eraan hoe precair deze hele onderneming blijft, om met een groep onervaren spelers vorm te geven aan de diepere wortels en waarheden van de menselijke existentie. Ze geven ook des te meer waarde aan al die andere momenten, waarin abstractie en emotie wel samenvallen, tot embryo’s van mystiek. Opnieuw bewijst Cie Tartaren dat het onder de nieuwe artistieke leiding van Ingrid Dullens, Kirsten Mariën en Roberta Santucci een nieuwe adem heeft gevonden.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz