Rozeke Warre Borgmans / Geert Vermeulen
Een heel leven tussen kassa, kassa en kak
“Ik ben iemand van weinig woorden, maar als ik mijn leven begin te vertellen...” In ‘Rozeke’ is dat precies wat er gebeurt: een man die niet stopt met praten, omdat zijn leven nooit stopte met bergen en dalen. Als verteller pur sang speelt Warre Borgmans de oude Guillaume Van der Stighelen, die Antwerpen vanaf de jaren 1880 voorzag van de eerste waterbuizen en wc’s. Hoe werkt een biografie in tot levensfilosofie?
De hoge hoed waarmee Borgmans zijn monoloog begint en ook zal eindigen, is vrijwel het enige visuele signaal dat zijn verhaal en zijn personage in de tijd plaatst. Hij krijgt zo iets van Scrooge, de oude brombeer van Charles Dickens in ‘A Christmas Carol’ die buiten het gemeenschapsleven staat en aan zichzelf is overgeleverd. We worden terug gekatapulteerd naar de negentiende eeuw.
Borgmans speelt Guillaume Van der Stighelen, geboren in 1852 en overgrootvader van zijn bekende naamgenoot en reclamemaker die hem in 2023 vatte in zijn debuutroman ‘Rozeke’. Op zijn 88e verjaardag blikt hij terug op al zijn dagen. Geen van zijn drie zonen heeft hem vandaag gebeld om hem nog proficiat te wensen. Verhaal halen, dat doet hij dan maar bij ons. Opgeruimd, geestdriftig, een tikje patriarchaal ook. Er valt genoeg te vertellen. Anderhalf uur lang, voor een heel leven.
We kijken naar wat er (maar) overblijft van het hele imperium aan sanitaire buizen waar Van der Stighelen zijn vermogen aan te danken heeft.
Het sobere decor waarin Borgmans zich nog eens voluit kan uitleven als koddige seigneur, is vooral praktisch: een houten podiumpje op drie op elkaar gesmede zinken buizen, met ook een krat om even op te gaan zitten en een tiental hoge bierflessen voor af en toe een slok vers spraakwater. Een meer narratief element biedt de gebogen waterbuis die dienstdoet als hangstang voor de vele verschillende jasjes waarin zijn personage zich een leven lang heeft gekleed. Tussen de bedrijven door wisselt Borgmans af en toe van tenue: van rokkostuum naar een wit hemd met bretellen, zelfs even naar blote bast.
Zo kijken we naar wat er (maar) overblijft van het hele imperium aan sanitaire buizen waar Van der Stighelen zijn vermogen aan te danken heeft. Begonnen als simpele loodgieter in het negentiende-eeuwse Antwerpen van vóór de tijd van proper water, bouwde hij in geen tijd een familiebedrijf uit met tientallen werknemers om rijke Sinjoren en hun herenhuizen te voorzien van badkamers en waterclosets. Hij verdiende zijn fortuin als pompwater.
Klassiek Grieks
Maar wat baat het om rijk te zijn, wanneer ’s levens tegenslag je steeds weer bij de kladden grijpt? Dat lijkt de hamvraag van ‘Rozeke’, wat er bijna een moreel exempel van maakt. In klassieke termen van succes gaat het Van der Stighelen, die van de sifon zijn cash cow maakte, voor de wind. Zijn harde werk als selfmade man doet zijn sanitaire winkel blinken en bloeien en de kassa rinkelen. En al trouwt hij niet met zijn grote jeugdliefde Marie-Christine, zijn vrouw Karolien – die hem van zijn liefdesverdriet uit het Leopolddok redde – schenkt hem na twee zonen zelfs onvoorzien nog een gedroomde dochter (Rozeke) én nog een derde zoon.
Heel plastisch wordt het allemaal in een memorabele scène waarin de baas zich tot de lippen in een put vol stront laat glijden.
Alleen wordt al snel duidelijk dat elk gloriemoment – zoals Borgmans glinsterende blik bij de geboorte van Rozeke – vroeg of laat ook zijn tragische keerzijde over hem zal afroepen. Het heeft iets klassiek Grieks, hoe zijn directe familiale kring steeds weer ten offer valt aan amputatie, verslaving, incest, dodelijke ongelukken, zelfmoord, ziekte en aftakeling. Ook zelf verliest Van der Stighelen uiteindelijk zowel zeggenschap over zijn onderneming als over zijn continentie. We kijken naar de op- en neergang, maar vooral ook het verouderingsproces van de selfmade ondernemer. De beerput- en badkamerboer, hij ploegde voort.
Heel plastisch wordt het allemaal in een memorabele scène waarin de baas zich eigenhandig en tot de lippen in een put vol stront laat glijden om daar een mysterieuze verstopping ongedaan te maken: twee dode ratten die aan elkaar gekoekt van de kak de afvoer versperren. Wanneer alle opgestapelde stront ineens weer weg slobbert, wordt dat vanzelf één grote existentiële metafoor. Het leven zit vol shit, maar het blijft gelukkig stromen.
Van kleinzoon tot opaatje
Veel andere grote inzichten krijg je niet in deze theaterversie van ‘Rozeke’, waarvan Geert Vermeulen de tekstbewerking en de regie op zich nam. Doorgaans dient een anekdotisch verhaal als kapstok voor allerlei extra beschouwingen tussen de ontwikkelingen door. Hier valt die narratieve lijn de facto samen met de volledige voorstelling. Borgmans vertelt een heel leven na als een ketting van gebeurtenissen, soms inzoomend op heel concrete scènes (met paard en kar naar Kasterlee, bij neef Suus in het gevang, de inwijding van de nieuwe pissijns van de Opera), soms in vogelvlucht wiekend over de jaren. Op zijn hoogst deelt deze pater familias even hoe hij zich bij de zaken voelt.
Het is het verloop van tijd, de levensloop zelf, die de communicatie met de kijker overneemt.
Is die grote nadruk op louter vertellement een manco? Bijzonder is in elk geval wel dat het een complete biografie is, van de veertienjarige Guillaume die als boerenknecht alle seksuele ‘trucen van de foor’ leert van de oudste boerendochter, tot zijn zestig jaar oudere zelf die zich onder een saarzeke gaat afrukken met zicht op de schoon madammekes in de vitrines. Van kleinzoon van de vrijgevochten Moe Roos evolueert hij in geen tijd tot de volwassen zoon van zijn dementerende moeder, tot hij uiteindelijk zelf een opaatje blijkt geworden die zelfs geen moeite meer doet om de namen van al zijn kleinkinderen te onthouden.
Van die Gauss-curve van het leven – de rise and fall van zowel zijn onderneming als zijn familiale kring – gaat bijna vanzelf een diepere werking uit. Het is hetzelfde effect als bij pakweg de fotoreeks ‘The Brown Sisters’ van Nicholas Nixon, die vanaf 1975 veertig jaar lang dezelfde vier zussen in beeld neemt, jaar per jaar. Het is het verloop van tijd, de levensloop zelf, die de communicatie met de kijker overneemt, veel meer dan hoe dat ene leven er dan concreet uitziet.
Hoe minder er te zien is – gewoon een verteller op een scène in een tijdloos decor, of een kwartet zussen in steeds hetzelfde kiekje – hoe meer je er als toeschouwer je eigen veroudering op kan projecteren. Wat dan toch gaat emotioneren aan ‘Rozeke’, is niet zozeer Van der Stighelens verhaal of het tijdsbeeld dat je meekrijgt van de belle époque tot voorbij de Tweede Wereldoorlog. Het zijn wijzelf. Of wat we van onze eigen levensloop en veroudering herkennen in dit aparte verhaal.
Existentieel inpakpapier
Net omwille van die simpele artistieke wet van projectie – less is more – valt het dubbel en dik op hoe de belichting (vooral melancholische kleuren als blauw en paars) en de muziek (hoge en troostende klingelklangel met veel nagalm) hier en daar extra zeilen bijzetten om aan te duiden waar we diepere emotie moeten voelen, of waar er in Van der Stighelens biografie een bladzijde wordt omgeslagen. Hoe spaarzaam dat ook gebeurt, ze emballeren deze monoloog naar mijn smaak te opzichtig in existentieel inpakpapier. Hun interventies voelen té.
Warre Borgmans lijkt die cadeauverpakking ook niet nodig te hebben. Op zijn zeventigste blijft hij als acteur een veelzijdige lichtbron en een heel orkest op zichzelf. Wat hem hier extra overtuigend maakt, is precies dat hij zijn personage nergens overbelicht of overstemt. Schijnt in sommige van zijn (meer komische) rollen wel eens te veel Warre door, dan spreekt hier vooral zijn dienstbaarheid aan de tekst van achterkleinzoon Van der Stighelen. Diens kleurrijke taal, met veel woorden en wendingen die perfecte voorzetten aanleveren om binnen te koppen, draagt zelf ook al veel theatraliteit in zich. Met Antwerpse tongval kruipt Borgmans erin zonder eruit te springen – zijn personage is al expressief genoeg.
Het maakt van ‘Rozeke’ een door en door klassieke voorstelling: niet alleen qua speelstijl of in haar idee dat kunst een verhaal is over en voor het leven, maar ook in haar traditionele opzet over succesvolle mannen die voor de kost zorgen en vrouwen die ze thuis opdienen. Het Bestaan zelf blijkt in deze solo nog de grootste uitdager van die burgerlijke visie. Met kak en pis, maar ook met de heilzame waarheid dat succes nooit maakbaar is in ons leven.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz