Theater

Théâtre Royal du Parc, Brussel

De andere planeet (1)

In de komende weken geeft Eric de Kuyper ons een kleine rondleiding door het Franstalige theaterlandschap in de hoofdstad. Wat is er te zien en te beleven? Is het echt zo 'anders' als we vaak denken? De uitstap begint in het hart van de stad, bij het 'Théâtre Royal du Parc' aan de Wetstraat, vlak tegenover het Parlement. 

Théâtre Royal du Parc, Brussel
Eric De Kuyper Théâtre Royal du Parc, Bruxelles
28 september 2021

Bestaat er een grotere theatervreugde dan een voorstelling bijwonen in het Théâtre Royal du Parc ?

Tijdens de pauze, begeef ik mij in het foyer op de eerste verdieping van de schouwburg. De balkondeuren staan wijd open, want het is een mooie milde avond. De overdag zo drukke Wetstraat ligt er op dat uur van de avond verlaten bij. Het balkon geeft uitzicht op het Parlement. Het staat daar, vlak tegenover in al zijn monumentaiteit . Alle drukdoende politici en journalisten hebben het pand ontruimd en hebben zich teruggetrokken, ver en veilig buiten Brussel.

In het park van de Warande leidt het theater een discreet bestaan. Het is geen opvallend gebouw. Niemand die er zich iets van aantrekt, het een blik waardig keurt. Journalisten en reporters keren het de rug toe. Wat voor het land op het spel staat, is het politieke gedoe aan de overkant. ’s Avonds echter gonst Le Parc op een gezellige manier. Het is alsof de Cultuur gedurende een paar uur elke avond - met relâche op maandag – kwajongensachtig haar tong uit steekt.

Wat door elke Vlaming - als hij er al het bestaan van kent, vermoedelijk als conservatieve theatertempel bestempeld wordt- is in feite, letterlijk, een ‘marginaal’ verschijnsel. Ook in de Franstalige theatercontext, denk ik. Het begint al aan de telefoon, bij het boeken van plaatsen. Om één of andere reden slaag ik er niet in dit via internet te doen. De stem aan de lijn zet de toon, die ik niet anders dan convivial kan noemen. Alsof men echt blij is een paar toeschouwers meer te kunnen ontvangen. Waar echt geen nood aan is: de zaal van een kleine 1.600 plaatsen heb ik altijd goed bezet geweten.

Het publiek dat er heen gaat is, nu ja, burgerlijk. Burgerlijk zoals ik het ben. Maar wel van een verscheidenheid in leeftijd die ik elders nooit heb getroffen. Van jong tot oud, met opvallend ook behoorlijk wat kinderen en tieners. De sfeer van convivialité die ik aan de telefoon trof, zet zich verder. Elke avond, bij elke opvoering, is er een vlotte dame die de moeite neemt om ons welkom te heten. Ze doet dat met een onopvallende charme, waarvoor ik haar achteraf eens 2 sur 3 heb gefeliciteerd. Ze loopt de bühne op, en verlaat die na een kort woordje, met een vanzelfsprekende zwierigheid. Ze is inderdaad ook als gastvrouw aanwezig voor en na de voorstelling in de ingangshal.

Het gebouw is een mooi voorbeeld van een klassieke theaterzaal (gebouwd in 1782, door de architect Montoyer). Met een verrassende afwijking op het traditionele plan: je komt langs de zijkant de zaal binnen in plaats van achteraan, zoals gebruikelijk bij dit theatertype. Als toeschouwer word je op die manier bij het binnenkomen ‘face to face’ geconfronteerd met het toneel , daar voor je. Hier niet. Een tegendraadsheid die mij altijd met vreugde vervult. Alsof je zijdelings in de wereld van de illusie toegelaten wordt.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom er die afwijking is op een prototypisch plan. Natuurlijk leunt de Cercle Gaulois - ook al een indrukwekkende suite van ruimtes- tegen de schouwburg aan. En daar naast de - eindelijk- mooi gerestaureerde Wauxhall, een unicum , dat helaas nog niet zijn draai heeft gevonden. (Een Wauxhall was een Londense ‘lusttuin’, zoals de Prater in Wenen of de Tivoli in Kopenhagen. Het Brusselse equivalent is natuurlijk veel kleiner uitgevallen.)

Over de jaren heen heeft de directeur Thierry Debroux een aanpak ontwikkeld die meer en meer een traditioneel repertoire vervangt. De man ensceneert vaak zelf, en ook de bewerkingen van de teksten zijn van zijn hand. Is de naam van Debroux afwezig, en zijn de bewerking en regie in andere handen, ook dan blijft een zekere , welbepaalde herkenbare toon en aanpak aanwezig. Het vertrekpunt is altijd de bewerking van bekende literaire stof. Dat gaat van ‘De Drie Musketiers’ van Alexandre Dumas tot ‘De Reis om de Wereld in 80 dagen’ van Jules verne. Met soms eens een uitschieter zoals ‘Der blauwe Engel’ naar de film van Josef von Sternberg en een roman van Heinrich Mann of een minder gekend werk als ‘Le Chevalier d’Eon’, een anime serie.

Dit seizoen wordt dat: ‘De Ridders van de Ronde Tafel’, ‘Peter Pan’ , ‘Scrooge’, ‘Notre-Dame de Paris’. Als er al iets meer experimenteel is, wordt het geënt op bekende stof: ‘De Toverfluit’ zal wel zo iets worden. Er is ook elk jaar een klassieker - dit jaar Molière- die een beetje als verplicht nummer geprogrammeerd lijkt. Tijdens de voorbije seizoenen was dat een (goede) Feydeau, maar ook een Shakespeare… (ik zag er ooit een Macbeth, in de jaren zestig dan wel, met…Dora van der Groen als Lady.)

Een voorstelling blijft zo’n kleine vier weken op het programma. Het theater heeft uiteraard geen vast gezelschap, maar de bezetting is doorgaans uitstekend. Zowel oudere als jonge acteurs spelen met verve. Er is veel talent samengebracht. Er wordt vaak eens een liedje gezongen en dans en acrobatiek verblijden ons. Een geregeld weerkerende show-stopper zijn de schermscènes. Bewonderenswaardig hoe Jacques Capelle telkens opnieuw er in slaagt zijn acteurs de kneepjes van de degenkunst bij te brengen. (terloops: ik kon zijn vakmanschap meemaken toen hij mij , bij een scène voor een film , hielp mijn op dat vlak onervaren acteurs theatrale vechtkunst bij te brengen op de meest efficiënte manier).

Naast het teamwerk op acteervlak , ben k altijd vol bewondering voor de scenografen. De technische middelen zijn beperkt, de Bühne is niet groot, en er dienen veel visuele effecten om het dramaturgisch wisselend verloop te ondersteunen. Dat gebeurt meer met verbeelding dan met budget. En het kan ook zonder video! Met de traditionele theatermiddelen waarvoor ik na elke voorstelling applaudisseer. Ja natuurlijk werken die nog altijd! Verwacht hier dus geen vertoon van beeldende kunst, wel rijk vakmanschap.

Het woord is gevallen: vakmanschap. In dit geval betekent het: de middelen – hoe beperkt ook - maximaal benutten. En dus- heel belangrijk – beseffen waar je limieten zijn, en dus ook je mogelijkheden. Het best kan ik het eigenlijk vergelijken met de kleinere musical producties die je soms op de Londense West-End kunt zien. Die natuurlijk niet op kunnen tegen de musical shows die grotere schouwburgen, net om de hoek, gedurende jaren te zien zijn. En dat ook niet proberen. Maar gewoon, door talent, verbeelding, en teamgeest een traditie van goed entertainment verder zetten.

Een theateravond in Le Parc betekent voor mij altijd: opnieuw beseffen wat theater (ook) is en kan zijn: entertainment. Na een voorstelling ga ik steevast nog iets drinken in het Foyer.

PS: En alsof ik hier gestraft word voor mijn ongebreidelde lof: de eerste productie van dit seizoen (‘Les Chevaliers de la Table Ronde’) functioneert van geen kanten. De bewerking van de stof is een ratjetoe. De grote bezetting is zielloos. Te veel gevechtsscènes. Een log decor en… videoprojecties! Misschien een te ambitieuze onderneming na al die maanden van afwezigheid?

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz