Il barbiere di Siviglia Gioacchino Rossini / Jean-François Sivadier / Opéra de Lille
Rock-'n'-roll met Rossini
Een begeerde jonge vrouw die, onder impuls van haar bloedgeile minnaar, uit de klauwen van een weerzinwekkende suikeroom tracht te ontsnappen: het verhaal van ‘Il barbiere di Siviglia’ smaakt al belegen nog voor het doek op gaat. Geen stereotiep ontbreekt in deze oerklassieke komedie. Aan de archetypische personages, de doorzichtige intrige en de voorspelbare humor voegde Rossini (1792-1863), tot spijt van wie het benijdt, wel een resem onsterfelijke melodieën toe, laverend tussen aanstekelijke kolder en oudbakken kitsch.
Voor wat vandaag nog steeds een van zijn beroemdste opera’s is, greep Gioacchino Rossini (1792-1863) terug op een libretto van Cesare Sterbini, die op zijn beurt de mosterd haalde bij het gelijknamige toneelstuk van Pierre Beaumarchais. Inhoudelijk komt ‘Il barbiere di Siviglia’ neer op een langgerekte soap. Geliefden Rosina en graaf Almaviva dwarsbomen dokter Bartolo’s plannen om met Rosina te trouwen, tot die uiteindelijk zijn zegen geeft aan het jonge paar. Is daar twee en een half uur opera voor nodig? Wel bij Rossini, die niet alleen barbier Figaro tot spil van de handeling maakt, maar ook de kleinere rollen van een ludiek timbre voorziet.
Verveling zit er voor de toeschouwer alleszins niet in, al haalt Rossini zijn stilistische paradepaardjes maar al te graag boven. Ritmisch ontsporende passages, zangers in vocale vermomming, vakkundig georkestreerde chaos, enzovoort: dat de toen nog maar 24-jaar oude componist de partituur op enkele dagen tijd zou voltooid hebben, lijkt best geloofwaardig. Toch is dit werk nog steeds een publiekslieveling, met dank aan de satirische insteek. Rossini componeert zodanig complexloos, dat hij het operagenre zelf schijnbaar parodieert.
Jean-François Sivadier situeert zijn regie in het verlengde van de muzikale naïviteit en de inhoudelijke nonchalance. Het decor laat geen stads panorama zien, noch de privévertrekken waarin een groot deel van de komedie zich afspeelt. Integendeel: de zaal kijkt naar een overhoop gehaalde toneelzolder, waar een tiental rekwisieten openlijk zijn uitgestald. Door het werk in een imaginaire ruimte op te voeren, herleidt Sivadier de intrige tot een metafoor voor spel en verbeeldingskracht. Het toneel op de toneelvloer nodigt uit tot hyperbolische vertolkingen, die zich – in de geest van de kiemen van de opera buffa – nadrukkelijk enten op de populaire cultuur.
Het toneel op de toneelvloer nodigt uit tot hyperbolische vertolkingen, die zich nadrukkelijk enten op de populaire cultuur.
De charme van Sivadiers lezing is gelegen in zijn evocatie van intuïtief spelplezier. Koorleden die zich uitleven op luchtgitaar of zangers met danspasjes die refereren naar de hoogdagen van Elvis Presley en ABBA: deze ‘Il barbiere di Siviglia’ recycleert gemeenplaatsen uit de entertainmentindustrie. Dat maakt de lezing atypisch binnen een operacontext. Het publiek kan zich niettemin moeiteloos verhouden tot dergelijke malligheden, die overigens naadloos aansluiten bij Rossini’s quasi voor de hand liggende muzikale retoriek.
Wat initieel aanvoelt als een verfrissende toets, blijkt finaal echter de achilleshiel van de productie. Sivadier blijft immers de hele opvoering lang in hetzelfde interpretatieve register hangen. Zijn setting mag dan wel geschikt zijn voor een verkleedpartij of een rondje verstoppertje spelen, de regie mist de creativiteit en de artistieke moed om buiten de geëffende paden te denken. Toch bleef Sivadiers oorspronkelijke creatie van ruim een decennium geleden over de tongen gaan. Opéra de Lille besloot dan ook tot een herneming, zij het met een piepjonge cast en dito dirigent.
Bariton Alessandro Luongo (barbier Figaro) is zonder twijfel een aanstormend talent met veel vocaal potentieel, maar hij melkt zijn rol als vrijbuiter met nodeloze kapsones uit. Mezzo-sopraan Deepa Johnny (Rosina) en tenor César Cortés (graaf Almaviva) vertolken met minder sterallures, en hun naturel werkt een pak meer op de lachspieren. Niettemin is het bariton Omar Montanari (Bartolo) die met de meeste aandacht gaat lopen. Hij zet een briesende dokter neer die ondanks zijn verfoeilijke driften alsnog sympathiek blijft.
Op vocaal vlak laat de hele ploeg hier en daar steken vallen, en wel omdat niemand helemaal opgewassen blijkt tegen de virtuositeit waar Rossini om vraagt. Slechts enkele kleinere rollen vallen echt door de mand, wat evenwel gecompenseerd wordt door het Orchestre National de Lille. Vinnige strijkers, spitante houten en gloedvol koper: dit orkest heeft alles in huis om zich met gedistingeerde klasse doorheen het muzikale passagewerk te murwen.
Dirigent Diego Ceretta, als late twintiger een van de jongste operadirigenten op de internationale podia, blijft dicht bij Rossini’s tempo-aanwijzingen en dynamische instructies. Wat zijn interpretatie niet kan bieden op vlak van originaliteit, compenseert ze met heldere accenten en een uitstekende boog richting finale. Onderwijl raakt de zaal helaas uitgekeken op Sivadiers repetitieve schertsen, die te veel en te lang uit hetzelfde vaatje blijven tappen.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz