Qui cherche, die vindt Ras-El-hanout / KVS
'Buitenlanders zijn altijd grappig'
Wat doe je als je een complex onderwerp probeert uit te leggen aan iemand die daar door zijn/haar/hun stereotiepe opvattingen geen oren naar heeft? Hoe doorbreek je die kloof? Soms zit er niets anders op dan het gesprek te openen via de stereotiepen zelf. Ras El Hanout lijkt juist dat als sleutel te gebruiken in ‘Qui cherche, Die vindt’, een voorstelling voor jongeren vanaf 12 jaar naar een idee van Inès El Bakari en Jad Zeitouni en geregisseerd door Aïcha Cissé. Maar geeft het ensemble zo niet meteen, opnieuw, toe aan een al zo dominante blik?
‘Buitenlanders zijn altijd grappig’, hoor ik plots uit de mond van een jongen bij de uitgang van de voorstelling. Hij bevindt zich midden in de chaos van een groep scholieren op weg naar de schoolbus. De groep is opvallend homogeen: witte leerlingen, begeleid door witte docenten. Het is het soort uitspraak die me al te bekend is. Hoewel de woorden ongetwijfeld niet van kwade bedoelingen getuigen, laten ze me achter met een onprettige nasmaak. Een ogenschijnlijk onschuldige opmerking, die de sluier van een diepgeworteld cliché oplicht.
We kennen ze allemaal: ‘the funny black friend’ of, de allochtone comedian. Twee archetypes die in de popcultuur van de afgelopen eeuw, tot op vandaag, steeds weer in films, series en op het toneel opdoken, vaak zonder veel nuance. Ze zetten de mens van kleur neer als de grappige, losgeslagen figuur die de witte personages of het verhaal moet verlichten, zonder enige diepgang of complexiteit in de karakterontwikkeling. In de Verenigde Staten voert men vaak een zwart personage op in die rol. In België en Nederland vult een personage van Noord-Afrikaanse afkomst ze vaak in.
In ‘Qui Cherche, Die Vindt’ nemen vier Brusselse jongeren met Marokkaanse roots je al vanaf het moment van binnenkomen mee in de sfeer van de voorstelling. Terwijl 'Broodjes Smeren' door de zaal galmt, hangen ze speels rond op het podium. Ze zuigen de toeschouwers zo al mee in de actie op het podium terwijl die nog hun stoel zoeken. In de voorstelling die dan volgt verbeelden Ayoub Benali, Adnane El Haruati, Souhail Mellas en Soulaimane Ali de voortdurende zoektocht naar een eigen identiteit van jongeren met Marokkaanse roots die opgroeiden tussen de Franstalige, Vlaamse, Brusselse en Marokkaanse culturen. Die zoektocht is interessant en herkenbaar. Identiteit is immers al jaren onderwerp van gesprek, zeker binnen de diaspora. De weerkerende artistieke exploratie ervan suggereert bovendien een een soort gedeelde onvervulde behoefte, of zelfs een dieperliggend verlangen naar erkenning van zo’n identiteit.
Ze nemen daartoe echter vaak hun toevlucht tot laagdrempelige humor. Dat zet me aan het denken. Die humor is namelijk doordrenkt met stereotiepe beelden en handelingen, die soms tot nadenken stemmen, soms uitdagen. Die humor krijgt gestalte in vele korte scènes, sketches zelfs. Ze zijn vaak een zinnebeeld van die (vraag naar) identiteit maar leiden steeds naar de conclusie dat je zowel Marokkaans, Belg, Franstalig, Vlaams als Arabisch of Riffijns kan zijn, en dit alles tegelijkertijd of naar wens.
Ras-El-Hanout maakt je eindelijk duidelijk waarom je altijd al het gevoel had dat tajine met frietjes het lekkerst is.
De voorstelling doet beroep op beeldend kunstenaar Juan Pablo Plazas om deze allegorieën vorm te geven. Plazas is een beeldend kunstenaar waarmee Ras El Hanout regelmatig samenwerkt en in residentie is aan het HISK, een postgraduaatopleiding beeldende kunst in Gent. Terwijl de acteurs de allegorie oproepen, brengt Plazas ze visueel tot leven, bijvoorbeeld wanneer El Haruti identiteit beschrijft als een fontein waarvan het de bedoeling is dat ze overloopt. Net dan stapelt Plazas verschillende plastic bakken gevuld met bekers op elkaar. Samen vormen ze de fontein. El Haruti overspoelt de fontein vervolgens met water uit verschillende flessen, die elk staan voor een ander aspect van zijn identiteit: een fles voor de Riffijnse, een andere voor de Marokkaanse, en dan nog drie voor de Belgische, de Vlaamse en tenslotte de Brusselse identiteit. De kracht van de scène ligt in het moment waarop alles overloopt. Dat creëert een diepere laag in de voorstelling. Al snel gaan de lichten dan echter weer aan en keert de voorstelling terug naar een comedy-achtige speelstijl. Is dit een poging om het publiek niet te verliezen en de voorstelling ‘speels’ en 'toegankelijk’ te houden?
Humor fungeert in ‘Qui Cherche, Die Vindt’ inderdaad als een ingangspunt, maar is deze benadering niet ook een vorm van reductie? Zak je zo niet naar een lager niveau in de hoop een diepere verbinding te creëren? Het doet me denken aan de manier waarop men zich tot een kind wendt: door zich letterlijk te verlagen, hoopt men op een directere, meer bevattelijke interactie. Het is dubbel. Dat Ras-El-Hanout toegankelijk wil zijn is begrijpelijk, maar de idee achter deze werkwijze is dat niet per se. Het is teleurstellend dat gesprekken op het toneel, als allochtone jongeren van kleur ze ernstig voeren, vaak niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Publiek lijkt pas te reageren zodra deze jongeren zich in een stereotiep jasje hullen.
Dat jasje past echter niet iedereen. Alleen bij Soulaimane Ali voel ik een oprecht komische acteerstijl. Met zijn natuurlijke flair krijgt hij me echt aan het lachen. Bij de andere acteurs merk ik dat ze humor strategisch inzetten, maar dat het niet hun grootste sterkte is. Mellas bijvoorbeeld toont zijn kracht meer tijdens serieuzere of informatieve scènes, maar schakelt dan voortdurend terug naar een ‘grappig personage’. Dat overschaduwt die ernstige kant van zijn spel soms. El Haruti is dan weer van alle spelers degene die het meest virtuoos omgaat met de typische Brusselse tweetaligheid. Door zijn taalvaardigheid en krachtige expressie kon hij wel een meester zijn in slam poetry of spoken word. Door de overheersende comedytoon benut deze voorstelling zijn potentieel te weinig.
De vier acteurs, allen rond de 24 jaar oud, hebben duidelijk veel meer in hun mars dan enkel de rol van de grapjas spelen. Ik had graag gezien dat dit stuk een serieuzer omhulsel had gekregen. Wat nu lijkt te domineren is immers de witte blik die enkel waarde hecht aan ‘de grappige allochtoon’. Ras El Hanout maakt met ‘Qui Cherche, Die Vindt’ een mooie optelsom van alle identiteiten waar je je als Marokkaanse Belg toe moet verhouden. Hij maakt je eindelijk duidelijk waarom je altijd al het gevoel had dat tajine met frietjes het lekkerst is. De voorstelling zou echter veel aan kracht winnen door de stereotiepe elementen achter zich te laten en ruimte te bieden voor een authentieke verkenning van al die identiteitslagen. We hoeven echt niet altijd ‘de grappige buitenlander’ te zijn.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz