Physical Proof Hernán Mancebo Martínez en Rino Sokol
Voorbij alle stoerdoenerij
In ‘Physical Proof’ zoeken Hernán Mancebo Martínez en Rino Sokol al dansend een evenwicht tussen vertrouwen in de ander en zelfbevestiging. Jongensachtige stoerdoenerij groeit zo uit tot een volwassen verhouding, maar de drang om het publiek te behagen speelt de performers al te veel parten.
‘Physical proof’ is de masterproef van Rino Sokol voor de opleiding Kleinkunst aan het Conservatorium van Antwerpen. Ook Hernán Mancebo Martínez studeerde daar af, maar dan in de afdeling Hedendaagse dans. De voorstelling laveert tussen beide genres heen en weer.
Midden op de scène, ooit een schrijnwerkerij of meubelmakerij, staan twee stoelen naast elkaar, fel uitgelicht door twee grote, witte spots. Hernán Mancebo Martínez en Rino Sokol houden er een ‘stoelendans’ mee: ze verplaatsen de stoelen naar voor, naar achter, leggen ze neer of zetten ze recht, rug aan rug of naar elkaar toe.
De manier waarop de mannen met de stoelen omgaan is veelzeggend. Als ze die tegenover elkaar plaatsen doen ze dat zorgvuldig en beheerst. Als ze de stoelen wegschuiven, doen ze dat ruwer en slordiger. De stoelen lijken zo wel de spanningen in een gesprek tussen twee mensen te verbeelden: nu eens staan ze dicht bij elkaar, dan weer nemen ze afstand. Een spanning wordt gecreëerd tussen veraf en dichtbij, maar ook tussen taal en beeld, harmonie en conflict.
Bij elke nieuwe opstelling stelt Martínez dezelfde vragen aan Sokol: ‘What do you see?’ en ‘What do you feel?’. Die riposteert met korte, absurde antwoorden zoals ‘a galaxy’ of ‘a bus’. Zo roepen de stoelen de eeuwige spanning op tussen taal en beeld. Maar je ziet hier vooral een kinderlijke verbeelding aan het werk: alleen kinderen herkennen een rij stoelen moeiteloos als een bus, toch?
De uitwisseling tussen beide performers wordt uitbundiger, maar eerder puberaal dan kinderlijk, wanneer ze aan de praat raken over meisjes, en hoe hen te verleiden. Hernán Mancebo Martínez verklapt als meesterverleider de ‘kneepjes van het vak’ aan Rinos Sokol. Hij demonstreert dat met een verleidingsdans met een imaginair meisje op een stoel. Haantjesgedrag met fier vooruit gestoken borst. Het guitige spel tussen de twee jongelingen dat volgt brengt het publiek gretig aan het lachen.
Wanneer de stoelen van de scène verdwijnen gaat het testosterongehalte de hoogte in.
Wanneer de stoelen van de scène verdwijnen gaat het testosterongehalte de hoogte in. De lovers worden kemphaantjes. Strakke, flitsende armzwaaien monden uit in een gevecht. Als kleine jongens die zich superhelden wanen binden de performers met onzichtbare Star Wars zwaarden de strijd aan, compleet met de toepasselijke zwiepgeluiden en sisklanken. Sokol vliegt uitdagend de opslagrekken van de voormalige schrijnwerkerij op. Een mallotig cabaret dat op de lachspieren van het gewillige publiek mikt. Maar als choreografie stelt dit weinig voor. De subtiele spanning bij het begin van de voorstelling is hier verdampt.
Pas als het gebabbel en gevecht stokt, en de voorstelling niet langer hengelt naar bijval wordt de choreografie uitdagender. In een innige dubbele crucifix gaan de performers ruggelings op elkaar liggen. Voorzichtig tasten ze naar elkaars armen en grijpen die voorzichtig vast. Alsof ze elkaar aftasten, op zoek naar vertrouwen nu ze zo elkaar zo dicht naderen zonder dat er totale intimiteit is. Ze kijken immers niet naar, maar weg van elkaar.
Het spel tussen de twee mannen verstilt als de poort van de schrijnwerkerij, die de achterwand vormt van het podium, open schuift. De competitie die er eerder heerste maakt plaats voor iets anders. In een spiraal draaien de mannen behoedzaam om elkaar heen, en werpen lange schaduwen vooruit naar buiten, tot bijna waar fietsen en auto’s op de achtergrond passeren. Het is een wonderlijk beeld: de ‘binnenwereld’’ waar de mannen zich verloren in kinderspelletjes en snoeverij, raakt plots aan de wereld daarbuiten, waar dat niets betekent.
Zien we de ‘jongens’ hier volwassen worden? Het is zeker verleidelijk om die omslag symbolisch zo te duiden. Het zelfbeeld van een mens hangt altijd af van de Ander, omdat die ons een spiegel voorhoudt. Zeker bij dansers: je leert bewegen door anderen te imiteren, al is die imitatie nooit perfect. Maar die afhankelijkheid roept weerstand op. We counteren ze graag door onszelf te affirmeren met onze eigen (dans-) taal. Maar dan moet je toch weer erkennen dat die niets betekent zonder de Anderen. Dat je kwetsbaar bent. Dat heet ‘volwassen worden’.
Het is precies wat je hier de hele tijd zag: een ontroerend spel nabijheid en afstand tussen twee mensen. Ze willen zichzelf affirmeren maar ontdekken dat ze niet zonder elkaar kunnen. Maar als ze dan naar gelijkenis en toenadering zoeken, botsen ze op verschillen. ‘Physical Proof’ is het sterkst op de momenten waarop de voorstelling inspeelt op die oppositie tussen genegenheid en conflict, zelf-affirmatie en afhankelijkheid. Dan is de spanning soms te snijden.
Maar die sterke momenten verdrinken in al te veel andere passages waar absurde jongenshumor de overhand neemt. Alsof de performers zich achter die vorm verschuilen voor de boze buitenwereld. Maar de poort naar die buitenwereld staat wel op een kier.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz