Dans

Infinétude Alma Söderberg

Het ritme van de homo ludens

Mocht je vanavond ergens in de buurt van Kortrijk zijn en geen al te dringende zaken aan je hoofd hebben, dan raad ik je dringend aan om een ticketje te kopen voor ‘Infinétude’ van Alma Söderberg, te zien in de Budascoop. Zelden zal je zo’n levendige, opwindende, soms heerlijk zotte demonstratie zien waarin lichaam en ritme zo één zijn dan in deze dans- en muziekvoorstelling met stemmen en percussie. Zonder elektronische poespas. Maar wel met een scheut flamenco. Heerlijk.        

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Infinétude
Pieter T’Jonck Budascoop, Kortrijk, in het kader van het NEXT Festival
12 november 2025

Door een vreemd toeval zag ik ‘Infinétude’ net terwijl ik verdiept was in een boek over euritmie. De Zwitser Emile Jacques-Dalcroze ontwikkelde die alternatieve muziekpedagogiek in het begin van de twintigste eeuw. Hij had het zo’n beetje gehad met de klassieke solfège, omdat hij merkte dat leerlingen zo niet doordrongen tot de ‘ziel’ van de muziek. Via onder meer Arabische muziek ging het hem dagen dat verschillende ritmische patronen ook een andere manier van bewegen meebrengen. Hij kwam tot de conclusie dat ritme de basis is van alle muziek, omdat ze zo innig verbonden is met de natuurlijke lichamelijke aandrift tot ritmisch bewegen. Pas na het ritme volgen toon en melodie.

Zijn systeem bestaat erin om studenten complexe vormen van polyritmiek te laten belichamen. Ze moeten bijvoorbeeld met de voeten een vijf vierden maat trappelen terwijl hun armen een drie vierden maat volgen. Dat vraagt veel verbeelding én oefening. In ons land waren de lessen van de legendarische Fernand Schirren verwant aan die euritmie: ook voor hem waren dans en ritme twee handen op één buik. Opmerkelijk is dat zowel de leerlingen van Jacques-Dalcroze als van Schirren dol waren op hun veeleisende leraars. Dat geldt zelden voor de gemiddelde leraar notenleer. Het maakte iets wakker in hen.

‘Infinétude’ kan je beschouwen als de éénentwintigste-eeuwse erfgenaam van die euritmie. Söderberg heeft wel geen behoefte meer aan de omweg die Jacques-Dalcroze maakte langs Griekse tuniekjes en verheven muziek als de ‘Orfeo’ van Glück om zijn leer van artistieke adelbrieven te voorzien. Voor Söderberg volstaat het plezier om te spelen met ritme en klank. Als ze zich dan toch op een muziekvorm beroept, dan is dat de Flamenco – de kampioen van de polyritmiek onder de Europese traditionele muziek. Zij en haar vijf mededansers dragen trouwens ook geen ‘kostuum’ maar gewone kledij, zij het met feestelijke accenten. Söderberg zelf draagt bijvoorbeeld een kanten bloes en broek, Roger Sala Reyner een vederlichte, glanzende bloes terwijl Anja Müller het op een strakke broek en dito satijnen hemd houdt. Enige gemene deler is de kleur zwart.

Hoe langer het duurt, hoe meer de zes performers een volstrekt eigen karakter blijken te ontwikkelen

Deze dansers maken hun ‘muziek’, aanvankelijk vooral percussie, later ook zang, met hun eigen lijf. Contactmicrofoontjes helpen hun een handje om de gorgel- en plofklanken, het schrapen en schuren langs snorren en huid te versterken. Maar verder: niets in de handen of de mouwen. Als het stuk begint zitten de zes muzikanten dansers – naast Söderberg, Reyner en Müller zijn dat Alen Nsambu, Eliott Marmouset en Anna Fitoussi – in een kringetje op houten krukjes met drie poten. Daar spreekt al een soort samenhorigheid uit. Reyner opent met de vreemdste klanken die hij uit zijn keel en mond of uit zijn druk heen en weer fladderende vingers weet te toveren. Soms denk je dat hij een klarinet imiteert, soms lijkt hij met zijn handen diep in de grond te graven, soms denk je dat de klank ontstaat door zijn vingers die over zijn keel schrapen en roffelen.

In een oogwenk nemen de anderen dan plots quasi simultaan stukjes van dat bewegingsmateriaal over en gaan er per twee verder mee aan de slag. Als snel schuiven de krukken uit elkaar als ze erop beginnen rond te tollen. Het resultaat is een complex spel van door elkaar lopende ritmes, op klanken die je wellicht nooit eerder zo hoorde bij mensen. Het is Müller die daarna de orde doorbreekt door afstand te nemen. Op haar eentje voegt ze een compleet register martiale, heftige zwaaien met de armen toe aan de dans. Ze zal, ook later, wel vaker, de orde verbreken om de troep aan te voeren, zodat het soms lijkt alsof zij, eerder dan Söderberg, hier de leiding heeft.

Nu ja, leiding… Hoe langer het duurt, hoe meer de zes performers een volstrekt eigen karakter blijken te ontwikkelen, ook als ze elkaar nadoen of als ze samen een figuur opzetten. Reyner is de man van de sprankelende, spirituele, maar ook komische, invallen. Fitoussi is het duiveltje-in-een-doosje die de boel graag in de war stuurt. Vergeleken bij haar zijn zowel Nsambu als Marmouset de ernst zelve, maar niet minder virtuoos. Müller is de volksmenner van de bende: ze doet niet liever dan ook het publiek bij de zaak betrekken, zelfs om even een handje toe te steken als haar contactmicrofoon los komt. Söderberg tenslotte is het meest zorgende, ingetogen personage van de groep. De eerste ook die uitlegt wat dit allemaal te betekenen heeft. Of het echt de bedoeling is dat je personages gaat zien weet ik niet. Wellicht niet. Het is gewoon een gevolg van de buitengewoon sterke betrokkenheid van de performers op de actie en op elkaar. Ze dagen elkaar uit, maar trekken elkaar ook voortdurend mee in soms razend complexe ritmische patronen.

Een voorbeeld is een scène waarin Müller vooraan met haar armen een drie vierde maat slaat. Marmouset komt ernaast en slaat een vier vierde. De anderen volgen met nog andere maatsystemen, voegen getrappel toe aan de armzwaaien tot je niet meer kan volgen. Later staan ze zo allemaal op één lijn voor het publiek te trappelen en te klappen, en verklappen dan dat ze in canon (!) drie maatsoorten door elkaar laten lopen. Op het einde van de avond drijft Flamenco handgeklap en voetgestamp boven. De zaal is dan al zo verhit dat iemand in de zaal spontaan meedoet.

Veel preciezer dan deze performers kan je niet zijn, maar alles wordt zo speels-vernuftig gebracht dat die precisie alle ruimte laat voor de verbeelding van de kijker.

Er gebeurt hier nog veel meer, te veel om zelfs maar op te sommen. Het gaat de performers echter niet alleen om complexe ritmes en ongewone klanken. Als Söderberg het publiek een eerste keer toespreekt, na een formele voorstelling van de spelers door Fitoussi, legt ze uit wat haar drijft. Ze wil ‘een beetje ruimte laten rond de dingen’ en rond de woorden. Ze wil niet alles klemzetten, vasthouden en controleren, maar juist speling laten. De voorstelling demonstreert dat: veel preciezer dan deze performers kan je niet zijn, maar alles wordt zo speels-vernuftig gebracht dat die precisie alle ruimte laat voor de verbeelding van de kijker. Ze zien wat ze willen en genieten ervan zoals ze willen. Die opzet komt terug in de tekst van een lied op het einde: “Come with what we know, throw it on the floor, and we see it grow”.

Maar, zo legt Söderberg later nog uit, dit is dus ook een ‘étude’, en wel een ‘Infinétude’, of een onderzoek naar mogelijke vormen van oneindigheid – in beeld en ritme. Dat moet je letterlijk nemen: je ziet en hoort oneindig veel mogelijke combinaties van bewegingen en klanken. Die ontstaan, alweer, alleen maar doordat de performers zo intens op elkaar en op het onderzoek betrokken zijn. Ze zijn niet bezig met zichzelf, noch met de indruk die ze maken. Ze zijn bezig met het spel op zichzelf. Daardoor zie je ook personages ontstaan: je ziet wie ze zijn, zonder dat ze het daarop aanleggen.

De ‘oneindigheid’ waarvan Söderberg spreekt kan je zo ook figuurlijk verstaan, als een utopische-politieke boodschap: een aankondiging van de oneindige mogelijkheden die we hebben als we niet met onszelf maar met elkaar bezig zijn via het spel. Daar was ook Jacques-Dalcroze, met Schirren in zijn zog, op uit. Dat is nog altijd niet te versmaden. Maar zeker niet te versmaden is het plezier dat je een goed uur aan deze voorstelling beleeft.         

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz