The Labyrinth Fabian Krestel
Quand le jeu devient marché
Au Théâtre Marni, l’ouverture du D Festival (danse et cirque contemporain) ne s’annonce pas, elle se vit. Avec ‘The Labyrinth’ de Fabian Krestel, pas de repères nets ni de récit balisé : le jonglage glisse vers les arts visuels dans une forme joyeuse. D’abord déroutée par un début qui s’installe sans prévenir, au milieu de la foule, je me suis laissée happer par une proposition généreuse, singulière et étrangement festive, où le ludique et la rencontre s’invitent avec naturel. Une fraîcheur bienvenue, loin de tout excès démonstratif, dans une proposition qui joue déjà sur des glissements de rôles et de cadres. (NL Vertaling onder)
C’est dans le lobby du théâtre, et non en salle, que tout se joue. Verre à la main, au milieu des conversations, le public déambule entre onze stations, faites de toiles ou de feuilles de dessin scotchées au sol, fixées sur des tables ou inclinées comme des plans de travail d’atelier (scénographie : Anna Terrien). Ces surfaces portent déjà des cartels — ‘Concert’, ‘Ping Pong’, ‘Bounce Balls’ — comme des indices de ce qui va s’y produire. L’ensemble dessine un parcours ludique, d’un point à un autre.
Tandis que les conversations se mêlent autour du bar, un performeur s’assoit à une table, enclenche un chronomètre et saisit une grande branche d’arbre au bout de laquelle est fixé un stylo bic. Son but : la maintenir en équilibre le plus longtemps possible, en la tenant du bout des doigts. Tel un sismographe, les micro-mouvements de cette stabilité s’inscrivent sur le papier. Quand il se rompt, il inscrit son nom et le temps réalisé.
Cette station « Balance » se joue à deux. Le performeur invite alors quelqu’un à essayer : la transmission est immédiate, intuitive, sans médiation. Un micro sous la table capte tensions et déséquilibres, donnant au lobby une texture sonore inattendue.
Très vite, la distinction entre performeurs et public devient poreuse, absorbée par une dynamique collective continue.
Un peu plus loin, « Balloon Faecher ». Un pinceau trempé dans l’encre de Chine, suspendu à un ballon, flotte au-dessus d’une toile. Des éventails circulent : en les agitant, les participants déclenchent le mouvement du ballon. Le pinceau dessine une calligraphie collective, contrainte par les limites de la surface au sol.
Ce qui frappe, c’est la facilité avec laquelle chacun entre dans le jeu et le prolonge. Très vite, la distinction entre performeurs et public devient poreuse, absorbée par une dynamique collective continue.
Sur des plans inclinés à environ 50 degrés, les performeurs lancent des balles imbibées de peinture qui impriment les traces de leurs trajectoires. Ils réalisent les tableaux ‘Cascade’, ‘Reverse cascade’, ‘Unisono’, ‘Concert’ ou ‘Duet’, colorées ou monochromes, à partir de techniques de jonglage exécutées seuls ou à plusieurs. L’ensemble joue sur la circulation des couleurs, des couches et des motifs, jusqu’à brouiller la distinction entre acte et résultat, entre arts vivants et arts plastiques.
La proposition apparaît comme une forme condensée, efficace, mais peu déployée. Le dispositif gagnerait à pousser plus loin ses contraintes, en intensifiant les relations entre corps, techniques et circulations entre performeurs.
Toutes les stations fonctionnent en autonomie. Les performeurs habitent l’espace sans le diriger. Le lobby se salit joyeusement, prenant des airs de terrain de jeu. On participe, on s’en éloigne, on y revient, porté par les sons des balles sur les toiles et les boucles musicales de Marco Giongrandi.
Du collectif à l’appropriation
L’aspect hybride de la proposition interroge : entre fête participative et cadre institutionnel, entre jeu et dispositif artistique. Cette tension reste fertile, mais encore en suspens. Un élément vient toutefois reconfigurer l’ensemble. Au bout de deux heures trente, Fabian Krestel prend un micro et un maillet pour annoncer une vente aux enchères des œuvres réalisées. C’est là que le dispositif se resserre. Les contours flottants du projet — performance, workshop, installation — se redéfinissent soudainement.
Le public, un peu incrédule, se prête au jeu. Les prix sont bas, presque dérisoires. Et pourtant, quelque chose change. Le passage du jeu collectif à la logique d’acquisition réactive des réflexes bien connus : urgence, compétition, désir de possession. Le glissement du coopératif vers le marchand devient lisible. Je me surprends moi-même à enchérir, puis à acheter une toile, pour sa valeur autant que pour ce qu’elle condense du moment vécu.
Là où les arts vivants échappent à la logique de possession, les œuvres produites ici la réintroduisent frontalement.
À cet endroit, la proposition s’élargit. Elle ne repose plus seulement sur une hybridation entre arts vivants et arts plastiques, mais intègre une réflexion sur leur économie. Là où les arts vivants échappent à la logique de possession, les œuvres produites ici la réintroduisent frontalement.
Ce glissement du geste au marché, du collectif à l’appropriation individuelle, donne au projet sa densité critique. ‘The Labyrinth’ laisse ainsi une trace ambivalente : une expérience à la fois légère et structurée, généreuse et troublée, qui met en mouvement autant le corps que la pensée. On y perçoit la générosité de Fabian Krestel et de son équipe, qui traverse l’ensemble de la proposition dans leur manière d’ouvrir l’espace et de faire circuler les rôles — et c’est là que le projet s’accomplit.
NL Vertaling
Als spel verandert in markt
Théâtre Marni kondigt de opening van het D Festival (hedendaagse dans en circus) niet aan, maar laat ze je meteen beleven. ‘The Labyrinth’ van Fabian Krestel is niet gebonden aan één vormentaal of een welbepaald verhaal: jongleren gaat speels over in beeldende kunst. Na mijn eerste verbazing over een onaangekondigd begin temidden van het publiek liet ik me meeslepen door een genereus, uniek en vreemd feestelijk voorstel, dat spel en ontmoeting als vanzelf verbindt. Een welkome verfrissing: een voorstelling die zonder enige demonstratieve overdaad vormen en kaders laat verschuiven.
Alles speelt zich af in de lobby van het theater, niet in de zaal. Met een glas in de hand, bij een praatje, slentert het publiek langs elf stations, gemaakt van doeken of tekenvellen die op de vloer getapet werden, of bevestigd op tafels of schuin opgestelde panelen als in een atelier (scenografie: Anna Terrien). Er staan als bordjes op als ‘Concert’, ‘Ping Pong’, ‘Bounce Balls’ die suggereren wat er te gebeuren staat. Het geheel vormt een speels parcours.
Terwijl men aan de bar nog staat te praten gaat een performer aan een tafel zitten. Hij start een stopwatch en pakt een grote boomtak vast waar een balpen aan bevestigd is. Zijn doel: de tak zo lang mogelijk in evenwicht houden door hem met zijn vingertoppen vast te houden. De balpen legt de microbewegingen van deze evenwichtsoefening als een seismograaf vast op papier. Wanneer de tak uitschuift, schrijft de performer zijn naam en de tijd die hij behaalde op.
Dit station, ‘Balance’, wordt met z’n tweeën bespeeld. De performer nodigt iemand anders uit om het ook te proberen: de overdracht is onmiddellijk, intuïtief, zonder bemiddeling. Een microfoon onder de tafel registreert elke spanningen en wankeling en vult de lobby met een onverwacht klankbeeld.
Al snel vervaagt het onderscheid tussen performers en publiek in een collectieve dynamiek.
Iets verderop staat ‘Balloon Faecher’. Een penseel gedoopt in Chinese inkt hangt aan een ballon die zweeft boven een doek. Met waaiers zetten de deelnemers de ballon in beweging. Het penseel tekent een collectieve kalligrafie binnen de grenzen van het doek op de vloer. Het valt op hoe vanzelfsprekend iedereen deelneemt aan het spel. Al snel vervaagt het onderscheid tussen performers en publiek in een collectieve dynamiek.
Een volgende actie speelt zich af rond de schuin opgestelde panelen. De performers gooien er met verf doordrenkte ballen tegenaan. Hun baan laat sporen na op de panelen. Zo ontstaan de doeken ‘Cascade’, ‘Reverse cascade’, ‘Unisono’, ‘Concert’ en ‘Duet’, nu eens kleurrijk, dan weer monochroom, op basis van jongleertechnieken die alleen of met meerderen tegelijk worden uitgevoerd. De werken laten kleuren, lagen en motieven circuleren, tot het onderscheid tussen handeling en resultaat, tussen podiumkunsten en beeldende kunst, vervaagt.
Deze actie is geconcentreerd en doeltreffend, maar wordt niet verder uitgewerkt. Het geheel zou gebaat zijn met een sterkere beperking, door de relaties tussen lichaam, technieken en de interactie tussen de performers te intensiveren. Alle stations functioneren op zichzelf. De performers bewonen de ruimte zonder deze te sturen. De lobby raakt vrolijk bevuild en krijgt de sfeer van een speelterrein. Je kan deelnemen of afstand nemen en terugkeren naar believen, op de klanken van de ballen op de doeken en de muzikale loopjes van Marco Giongrandi.
Van collectief naar toe-eigening
Het hybride karakter van het voorstel roept vragen op: tussen participatief feest en institutioneel kader, tussen spel en artistieke opzet. Deze spanning blijft vruchtbaar, maar krijgt voorlopig geen uitkomst. Eén element doet de zaken echter keren. Na tweeënhalf uur pakt Fabian Krestel een microfoon en een hamer om een veiling van de gemaakte werken aan te kondigen. Op dat moment wordt de opzet minder vrijblijvend. De vage contouren van het project – performance, workshop, installatie – worden plotseling geherdefinieerd.
Het publiek, enigszins ongelovig, speelt het spel mee. De prijzen zijn laag, bijna belachelijk laag. Toch verandert er iets. De overgang van het collectieve spel naar de logica van het verwerven roept bekende reflexen op: urgentie, competitie, bezitsdrang. De verschuiving van het coöperatieve naar het commerciële doet zich voelen. Ik betrap mezelf erop dat ik mee bied en ook nog een doek koop, zowel omwille van de waarde ervan als omwille van wat het samenvat van het beleefde moment.
Als podiumkunsten ontsnappen aan de logica van bezit, voeren de hier gecreëerde werken die logica juist direct opnieuw in.
Op dit punt wordt de inzet groter. Het stuk gaat niet langer alleen om de vermenging van podiumkunsten en beeldende kunst, maar omvat nu ook een reflectie op de economie ervan. Als podiumkunsten ontsnappen aan de logica van bezit, voeren de hier gecreëerde werken die logica juist direct opnieuw in.
Deze verschuiving van gebaar naar markt, van collectief naar individuele toe-eigening, geeft het project zijn kritische diepgang. ‘The Labyrinth’ laat zo een ambivalent spoor na: een ervaring die tegelijkertijd luchtig en gestructureerd, genereus en verontrustend is, en die zowel het lichaam als de gedachten in beweging brengt. Men voelt de generositeit van Fabian Krestel en zijn team. Ze doordesemt de hele propositie in de manier waarop ze de ruimte opent en rollen laat circuleren. Dat is waar het project tot zijn recht komt.Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz